Roof

Het is niet mijn verdriet dat het meest mijn vreugde rooft Het is zijn de angsten die bezit van mij kunnen nemen

Liefde

Laat me in je ogen kijken Leer me de taal van je ziel Voel je vrij in het delen van je hart

Als ik in jouw ogen kijk Zie ik jouw liefde voor mij En weerspiegelen zij Mijn liefde voor jou

Kom, laten we elkaar in de ogen kijken En zorgen dat er geen geheimen zijn Dat is de plek waar intimiteit ontstaat De plek waar eenheid begint

Vreugde zal dansen in onze ogen Verwarmend zal onze omhelzing zijn En genade de grond onder onze voeten

Als ik in jouw ogen kijk Zie ik jouw liefde voor mij En weerspiegelen zij Mijn liefde voor jou

Verlief

Liefde van mijn jeugd Waar ben je gebleven? Talloze malen heb ik op de uitkijk gestaan Maar heb je gestalte nooit meer kunnen ontwaren En onlangs heeft men mij het verteld Dat je de tocht niet zou hebben overleefd Liefde van mijn jeugd Waar ben je gebleven? Vele jaren zijn verstreken Jaren van doodse stilte in mijn hart Vonken van liefde doofden uit Het geluid van een lach klinkt niet meer Liefde van mijn jeugd Waar ben je gebleven? Ouderdom is mijn leven binnengetreden Het snelle lopen is nu een trage tred En de vele gedachten aan jou Staan als rimpels in mijn huid gekerfd Liefde van mijn jeugd Waar ben je gebleven? Talloze malen heb ik op de uitkijk gestaan Maar heb je gestalte nooit meer kunnen ontwaren En onlangs heeft men mij het verteld Dat je de tocht niet zou hebben overleefd

Hopjesland

Er was eens een land dat Hopjesland genoemd werd. In Hopjesland woonden Hopjesmensen. Deze Hopjesmensen zagen eruit als bruine, vierkante blokken met armen en benen eraan en een hoofd erop. In Hopjesland was er een Hopjeskoning en een Hopjeskoningin. Deze Hopjeskoning en Hopjeskoningin regeerden Hopjesland, samen met tien andere Hopjesmensen. Elke Hopjesdag, om negen uur in de ochtend, was er het Hopjesregeringsritueel. In het Hopjespaleis was er een speciale kamer, met een heel groot raam, aan de kant van het Hopjesmensenplein. Om klokslag negen uur schoven, langzaam en statig, de gordijnen open van dit raam en zaten de tien Hopjesmensen van de regering daar kaarsrecht en parmantig door het glas heen te kijken naar het land dat zij regeerden. Dit dagelijkse evenement trok altijd veel bekijks omdat het ritueel zo imponerend was. Hopjesmannetjes en Hopjesvrouwtjes lieten dan hun oh’s en ah’s horen, om vervolgens – diep onder de indruk – naar hun eigen werk te gaan. Het meest onder de indruk waren ze altijd van de helderblauwe overhemden die deze Hopjesmensen droegen; die zo prachtig glansden in het frisse zonlicht van de nieuwe dag en waar nooit een kreukel in te bespeuren was. Niemand droeg zijn overhemden zo mooi als deze regerende Hopjesmensen. Op een dag gingen de gordijnen weer open van het grote Hopjespaleisraam. De tien regerende Hopjesmensen keken weer zo trots als men iedere dag van hen gewend was, maar dit keer kon het hun publiek maar moeilijk imponeren. De blauwe overhemden glansden niet meer! En de tien Hopjesmensen droegen ze schots en scheef; ze waren volledig verfomfaaid! Het rare was dat de tien regerende Hopjesmensen dit zelf niet door leken te hebben. Ze waren het al te veel gewend geraakt dat iedereen altijd maar hun oh’s en ah’s liet horen en waren in hun hopjeshoofd gaan denken dat dit altijd zo bij het regeren van Hopjesland zou blijven. Het maakte voor hen niet echt meer uit of hun overhemden mooi waren. Het moest vanzelfsprekend zijn dat de toekijkende Hopjesmensen iedere keer weer opnieuw onder de indruk zouden raken van hun Hopjesregeringsritueel. De Hopjesmannetjes en Hopjesvrouwtjes op het plein waren echter allang niet meer bezig met de statigheid en parmantigheid van de tien regerende Hopjesmensen. In hun hoofd borrelde opeens de vraag omhoog: wie zorgt er eigenlijk voor die mooie, ongekreukelde helderblauwe overhemden?! Ze begrepen opeens dat er van die tien regerende Hopjesmensen nog maar weinig over zou blijven wanneer ze niet hun mooie helderblauwe overhemden zouden dragen. En toen werd het een hoppend gekkenhuis. Alle Hopjesjournalisten doken op dit nieuwe, interessante hopjesvraagstuk. En al snel ontdekten ze dat het om een heel gewone Hopjesman ging. Een lieve en nette Hopjesman die toevallig die dag ziek bleek te zijn. Hij stond iedere dag vroeg op om al die overhemden te strijken en te zorgen dat de tien regerende Hopjesmensen elke dag, glanzend en ongekreukt, voor het Hopjesvolk konden verschijnen. De tien regerende Hopjesmensen dachten daar niet meer aan. Maar het gewone Hopjesvolk kende nu eindelijk het geheim achter de mooie, ongekreukelde helderblauwe hopjesoverhemden.

Double-out

Vorige week maakte ik telefonisch een afspraak bij mijn nieuwe tandarts. Vroeg de assistente: ‘Welke zorgverzekeraar heb je?’ Wist ik het opeens niet meer! Dus zei ik toen maar: ‘Het spijt me, maar ik weet het even niet. Ik heb een burn-out en nu blijkbaar ook nog een black-out’.

Beter

Als ik beter ben, dan… koop ik een fiets! Een echte fiets; misschien een opoefiets. Eentje in een fel kleurtje en waarop ik goed rechtop kan zitten. Want dan ga ik de grote wereld in en moet ik alles kunnen zien! Dan rijd ik naar de drogist, de supermarkt, de kapper, de trambaan, een weiland, een boom bomvol bladeren, een flatgebouw, een viaduct en uiteindelijk helemaal naar de andere kant van de wereld… Je zult het zien: op een dag rijd ik naar het dorp hiernaast en zal ik dit ’s avonds aan mijn man vertellen op een manier alsof ik naar Amerika ben geweest, heen en terug, en dat op een en dezelfde dag! Ja, dan wordt het leven een groot avontuur… En kan ik zomaar de wereld intrekken en allemaal kleuren zien, geuren opsnuiven, allerlei geluiden horen (zonder dat het pijn doet) en leuke vormen opzoeken: van een kubus tot een rechthoekige streep van een van onze Nederlandse zebrapaden. Ja zeg, dat is nog eens leven!