Guava

Ooit kende ik de boom Leunde ik tegen de takken Zag ik de gladde bast Met her en der een schilfer At ik de vruchten Groene vruchten Die bij het rijpen Ook wat geel konden worden En waarvan het vruchtvlees roze was Tot op een dag De vruchten Opeens paars bleken te zijn Wie kan mij vertellen Welke kleur de guava’s hebben En als je me dan vertelt dat ze groen zijn En bij het rijpen Ook wat geel kunnen worden Kun je me dan ook vertellen Hoe ze later opeens paars konden zijn En of dat in de toekomst Nog eens gebeuren zal

Nooit

Wil je nooit Maar dan ook nooit Opgeven Nooit Want ik ben onderweg Onderweg Ik vecht, ik vecht Ik ben onderweg Het is alleen nog tijd Tijd Tijd om te overbruggen Dus geef niet op Strek je uit Naar dat wat komen kan Als we niet opgeven Nooit, nooit, nooit Nooit opgeven Strek je uit Strek je uit Naar dat wat komen kan Als we niet opgeven

Roof

Het is niet mijn verdriet dat het meest mijn vreugde rooft Het is zijn de angsten die bezit van mij kunnen nemen

Training

‘Oké, Talihah’, roept Aleandro, ‘houd je schrap, de volgende training gaat beginnen!’ Talihah gaat klaar staan, houdt haar floret stevig vast en wacht met een licht gespannen blik op wat er komen gaat. Al snel zet Aleandro de aanval in. Kalm en gecontroleerd komt hij op haar af. Ze hoort de woorden aan die hij uitspreekt: ‘Hé Talihah, wat doe jij hier eigenlijk? Wie denk je wel dat je bent om deel te nemen aan het leven? Er is niemand die om jou geeft. Je had al lang dood moeten zijn!’ Talihah voelt het bloed uit haar gezicht wegtrekken. Versuft en duizelig probeert ze op een verdediging te komen. Aleandro weet precies haar zwakke plekken naar boven te halen. Hij kent de verborgen angsten die ze heeft. Ze weet dat hij dit doet om haar te leren deze aanvallen af te weren. Omdat ze anders niet deel kan nemen aan de strijd. Bij Aleandro kan ze nog oefenen, elders heeft ze daar niet de mogelijkheid voor. Talihah fluistert de woorden uit Jeremia 31 vers 3: ‘Ik heb je altijd liefgehad en mijn liefde zal je altijd vergezellen.’¹ Ze is echter al te laat. Een aanval vraagt nu eenmaal om directe verdediging. Het is een kwestie van seconden. Aleandro had haar romp al meerdere keren kunnen raken. Ze weet dat ze scherper moet worden, meer daadkracht moet tonen. Aleandro staat alweer klaar voor de volgende aanval. Opnieuw komt hij dreigend op haar af en spreekt ditmaal de woorden: ‘God geeft helemaal niet om jou. Hij laat toe dat anderen je straffeloos beschadigen!’ Dit keer reageert Talihah sneller. Ze spreekt de woorden uit Deuteronomium 32 vers 4: ‘Hij is een rots, hij staat voor recht; alles wat hij doet is volmaakt. Trouw is God, rechtvaardig en zuiver, in hem is geen spoor van kwaad.’² Maar ze voelt dat ze het met te weinig overtuiging uitspreekt. Durft ze er wel volledig in te geloven? Haar gevoel, haar twijfel, maakt dat Aleandro nog steeds niet erg onder de indruk is. Aleandro kijkt haar doordringend aan voor hij de derde aanval inzet. Alsof hij probeert in te schatten of ze überhaupt nog een aanval zal afweren gedurende de training van deze dag. Talihah irriteert zich opeens aan het duel dat ze aan het voeren is. Het gevoel bekruipt haar dat ze maar een beetje aan het rotzooien is. Ze moet de trainingen serieus nemen, anders bereikt ze niets. Ze irriteert zich eraan dat ze zich zo lam laat leggen door de nare strijd in haar gedachten. Ze voelt woede omdat het haar zoveel leven ontneemt, haar zo onder druk zet. Ze knijpt haar ogen samen en tuurt naar de gestalte van haar leermeester. Nu zal ze het hem moeilijker maken. Ze kan zich toch niet steeds onderuit laten halen. Ze wil respect, geen etiket van lafheid. Aleandro komt op haar af en bestookt haar met de volgende leugens: ‘Waarom zou je nog strijden voor een beter leven? Wie zegt dat het beter kan worden, dat het echt ooit beter zal zijn? Kijk nou, hoe klein je bent. Je stelt niets voor! Wat denk jij te kunnen beginnen tegen een wereld als deze?!’ Talihah reageert razendsnel. Aleandro kan haar dit keer niet raken. Ze dwingt hem achteruit te springen door hem fel en vastbesloten de woorden uit Lucas 18 vers 27 voor te houden: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God!’³ De aanval van Aleandro mislukt en de voorrang gaat over naar haar. Aleandro staat nu in de rol van verdediger. Ze vervolgt de woorden die ze gesproken heeft met het uitspreken van een volgende waarheid, uit Filippenzen 1 vers 6. ‘Hij is dit goede werk in mij begonnen en hij zal dit ook voltooien!’⁴ Ze huilt en ze is moe, maar ze merkt ook hoe krachtig haar situatie nu veranderd is. De doodsheid die anders zo kenmerkend voor haar is verlamt haar niet nu niet. De rollen zijn omgedraaid. Zij straft de doodsheid af; de doodsheid niet haar. Aleandro trekt zijn schermvest recht en loopt glimlachend op haar af. Hij zegt: ‘Zo wil ik het zien! Je slingerde me helemaal naar de andere kant van de aardbol; ik hing als het ware nog maar aan het randje!’ ¹ Jer. 31:3b, NBV ² Deut. 32:4, NBV ³ Gebaseerd op Luc. 18:27, NBV ⁴ Gebaseerd op Fil. 1:6, NBV

Dag

De dag van 6 januari 2012 was een zwakke dag. Het was een dag waarop ik zwak was. En ik wilde dat niet zomaar accepteren. Ik wilde even kunnen schilderen. De ochtend begon al met oorsuizingen. Ik bedoel dat 6 januari 2012 een dag was met een ochtend waarop ik last had van oorsuizingen. Begin middag wilde ik echter even kunnen schilderen. En aldus gebeurde. Maar vraag niet hoe. Dat ga ik namelijk al vertellen. Mijn focus was ook al zwak. Ik was moe. En mijn hand bezat niet de vastigheid van een uitgeruste dag. Ik bedoel van een dag waarop ik wel uitgerust was. Of in elk geval sterk genoeg was om even te kunnen schilderen. Vanwege het gebrek aan vastigheid op de dag van 6 januari 2012 trilden mijn handjes alsof ze net aan het ontdooien waren van een ijzige kou. Het penseel in mijn hand leek eerder te dansen dan te schilderen. En zo smeerde ik verf op het doek. Ja, ook op plaatsen waar ik dat niet wilde. En aldus groeide mijn frustratie. Aangezien ik niet wilde accepteren dat de dag van 6 januari 2012 een zwakke dag was, schilderde ik gewoon door. Dom, natuurlijk. Want de dag van 6 januari 2012 kan het niets schelen of ik mijn schilderij verknoei. En mij scheelt dat wel. En zo gooide ik dus alleen maar mijn eigen glazen in op de dag van 6 januari 2012. Kapotte glazen of niet: vanuit mijn frustratie bleef ik nog steeds eigenwijs doorknoeien. Omdat mijn motoriek niet meer goed functioneerde, en ik niet wilde accepteren dat de dag van 6 januari 2012 een zwakke dag was, gebeurde er nog meer van dat moois: ik stootte mijn eigen schilderspalet van de tafel. Het palet zweefde als een vrolijke parachute naar de grond en liet de klodders verf rustig landden op onze, nog behoorlijk nieuwe, laminaatvloer. De volgende frustratie werd geboren. Als de wiedeweerga moest ik de boel opruimen, aangezien de verf ook nog eens sneldrogend was. Met een zucht zette ik uiteindelijk het palet weer op de tafel. Opgelucht dat het opgeruimd was en er geen verf meer op de vloer, kast of muur zat. Op de kast en de muur zat sowieso niets en dat was dan nog wel een meevaller op de dag van 6 januari 2012. De schilderceremonie op de te zwakke dag om op te kunnen schilderen, maar waarop ik toch wilde schilderen, eindigde glorieus met een penseel dat van het palet rolde en ongevraagd een klodder verf op mijn schilderij wierp. Ja, toen was het genoeg. Eindelijk. Toen accepteerde ik dat de dag van 6 januari 2012 een te zwakke dag was om op te schilderen. Een dag waarop ik te zwak was om te kunnen schilderen. Met oorsuizingen, hoofdpijn en een klam lijf droop ik af en zocht ik een rustig plekje op in de woonkamer om uit te rusten. Van vermoeidheid. En van domme, stijfkoppige frustratie.

Scheuren

Het zijn de ogen De ogen die ik zie Het is de vlakte De scheuren in het wit